De wettelijke gemeenschap van goederen:
bezittingen, schulden en vergoedingsvorderingen
Wat gebeurt er met bezittingen en schulden als je zonder het maken van huwelijkse voorwaarden trouwt?
In dit eerste deel van een serie blogs over relatievermogensrecht gaat het over de wettelijke gemeenschap van goederen, over de gevolgen voor gezamenlijke bezittingen en schulden en over vergoedingsvorderingen. Ook wordt uitgelegd wat anders geregeld kan worden in huwelijkse voorwaarden.
Wat valt in de gemeenschap, wat blijft erbuiten?
Op 1 januari 2018 is de wet veranderd. De omvang van de gemeenschap van goederen is kleiner geworden dan voor die tijd. In hoofdlijnen geldt het volgende:
- bezittingen en schulden die een echtgenoot vóór het huwelijk had, blijven privé. Ook wat voor deze bezittingen in de plaats komt, blijft buiten de gemeenschap. Dus, als een echtgenoot vóór het huwelijk € 10.000 had en tijdens het huwelijk met dit geld een e-bike koopt, blijft die e-bike privé. Dit vraagt om een goede administratie;
- erfenissen en schenkingen vallen niet in de gemeenschap;
- alles wat de echtgenoten vóór het huwelijk al samen hadden en alles wat er tijdens het huwelijk bij komt, valt in de gemeenschap.
Dit klinkt eenvoudig, maar dit betekent voor de meeste echtparen dat zij drie vermogens hebben: ieder een privé-vermogen en een gezamenlijk vermogen.
Voor het huwelijk samen gekocht, maar niet in gelijke delen
Een voorbeeld: Marijn en Eef kopen samen een huis als ze gaan samenwonen. Een deel van de koopsom wordt met een lening gefinancierd, maar er wordt ook spaargeld gebruikt. Marijn heeft meer gespaard en investeert dan ook meer spaargeld dan Eef. Zij besluiten daarom dat Marijn eigenaar wordt voor 60% en Eef voor 40%.
In 2021 trouwen Marijn en Eef zonder huwelijkse voorwaarden te maken. Het huis is een gemeenschappelijk bezit, en valt in de gemeenschap van goederen. De wettelijke gemeenschap van goederen kent gelijke delen, dus het verschil in eigendom is verdwenen.
Afspraken die vóór het huwelijk gemaakt zijn, lopen niet zomaar door bij een huwelijk. In huwelijkse voorwaarden kan dit wel geregeld worden.
Een vordering kan verloren gaan
Jip en Sam wonen samen en kopen een huis van € 400.000. Het grootste deel van de koopsom wordt betaald met een lening, maar Sam legt € 100.000 eigen spaargeld in. In het samenlevingscontract staat dat Sam daarom een vordering op Jip heeft. In het contract staat ook dat dit bedrag opeisbaar is als het huis verkocht wordt. Drie jaar later verkopen Jip en Sam het huis en investeren de hele verkoopopbrengst in een nieuwe woning. Zij leggen hierover niets meer vast.
Zeven jaar later trouwen Jip en Sam en helaas volgt twee jaar later de echtscheiding. Dan blijkt dat de vordering van Sam niet meer opgeëist kan worden. Dat komt omdat de vordering opeisbaar werd bij de verkoop van het eerste huis. Sam heeft dit niet gedaan en hierdoor is de vordering al voor het huwelijk verjaard.
Dit zou anders geweest zijn al de vordering tijdens het huwelijk was ontstaan, dan regelt de wet een verlengde verjaringstermijn. De Hoge Raad heeft aangegeven dat deze bepaling over de verjaring van vorderingen tussen echtgenoten niet geldt voor samenwoners. In lagere rechtspraak wordt daar soms anders over gedacht.
Wat hadden Jip en Sam kunnen doen om dit gevolg te vermijden? In huwelijkse voorwaarden hadden zij de vordering opnieuw kunnen vastleggen en duidelijke afspraken kunnen maken over onder andere het moment van terugbetaling.
Tijdens het huwelijk wordt privé-geld gebruikt bij de financiering van bijvoorbeeld een gezamenlijke woning
Tot slot bespreken we een situatie die veel voorkomt: een echtgenoot heeft privé-geld (bijvoorbeeld spaargeld dat er voor het huwelijk al was) gebruikt bij de financiering van een huis dat de echtgenoten tijdens het huwelijk samen kopen en dat dus in de gemeenschap van goederen valt.
Loet en Bobbie trouwen in 2019 zonder huwelijkse voorwaarden. Loet heeft dan € 100.000 privé-spaargeld. Zij kopen na het huwelijk samen een huis van € 500.000. Loet gebruikt het privé-spaargeld bij de financiering. Het restant van de koopsom lenen Loet en Bobbie samen. Er ontstaat een vergoedingsvordering voor Loet. De wet bepaalt hoe zo’n vordering die tijdens het huwelijk ontstaat berekend wordt. Loet betaalt 1/5e deel van de koopsom van het huis en krijgt daarom een vordering die 1/5e deel is van de waarde van het huis. Stel dat de woning bij de scheiding van Loet en Bobbie € 600.000 waard is, dan is de vordering van Loet 1/5x € 600.000 = € 120.000. Het kan ook zijn dat de woning minder waard is geworden: stel dat het huis € 400.000 waard is, dan is de vordering 1/5e deel hiervan (€ 80.000).
Loet en Bobbie kunnen dit anders regelen. Zij kunnen zich hierover laten informeren door de notaris en een goede regeling maken in huwelijkse voorwaarden. Zij kunnen dan meteen nadenken over de afspraken die zij willen maken als verdere investeringen in het huis gedaan worden.
Zelf de regie houden
De voorbeelden laten zien dat de wet de zaken niet voor iedereen zo regelt als gewenst. Aanstaande echtparen die de zaken op hun eigen manier willen regelen, kunnen dat in huwelijkse voorwaarden doen.
In een volgende blog gaan we in op een aantal gevolgen die de gemeenschap van goederen heeft voor ondernemers en voor de aansprakelijkheid voor schulden van de echtgenoten.
Deel De wettelijke gemeenschap van goederen: op social media